Nieuws‎ > ‎

Pleidooi voor het behoud van Plato

Geplaatst 12 jan. 2014 06:09 door Stefan Hogendoorn   [ 12 jan. 2014 06:09 bijgewerkt ]


keizer

Bert Keizer
Vandaag mijn BGE (bijna-gymnasium-ervaring). In 1960 vond in mijn ouderlijk huis een topconferentie plaats waaraan op zijn minst mijn vader en een pater van de orde van kruisheren deelnamen, maar het kan zijn dat ook mijn oudere broers er iets in brachten. Ik werd de straat op gestuurd, waar ik in een dramatische stemming, die ik geheel aan Hector Malot’s ’Alleen op de wereld’ ontleende, overdacht hoe daar binnen mijn levenslot beslist werd. Het ging om de vraag of ik naar het Constantijncollege zou mogen, de school die door de paters kruisheren gerund werd. De tweede vraag was of ik daar de hbs of het gymnasium zou volgen.
In onze familie was nog nooit iemand naar de universiteit geweest, behalve één neef, die in Utrecht geneeskunde studeerde. Wij beschouwden zijn onvoorstelbare opgang als één van die onverklaarbare toevalligheden waarvan je wel eens foto’s zag in de Panorama bij de kapper (wij hadden uiteraard geen Panorama) in de vorm van een aardappel die sprekend op Churchill leek, of een wolkenmassa in de vorm van Donald Duck. Zulke dingen gebeurden wel, maar ze lagen ver buiten de gewone gang van zaken. Mijn gang naar de hbs was op zich al een merkwaardige sprong, maar het leek iedereen ongepast om daar een salto van te maken die mij op het gymnasium zou doen belanden. Dat was veel te hoog gegrepen, temeer daar achter het gymnasium de universiteit opdoemde.
Er krinkelde een sliert wierook door dit alles heen in de vorm van mijn mogelijke priesterroeping. Ik kan me niet herinneren dat ik daar ooit in ernst iets voor of tegen heb gezegd in gesprek met mijn vader of anderen, maar er werd zeer terecht besloten dat ik geen roeping had. De hbs was dus in twee opzichten veilig: geen overmoedige spirituele pretenties en geen risico van doorschieten naar de universiteit.
In mijn hbs-jaren had ik geen last van het gymnasium, met de uitzondering van één leraar Nederlands, die ons hbs’ers met onverholen minachting tegemoet trad omdat wij ons in de barbaarse regio buiten de Klassieke Wereld bevonden. Het minachten werd geretourneerd. We namen niet eens de moeite om hem te treiteren, maar vonden ons vernietigende oordeel bevestigd in zijn laffe keuze van sigarettenmerk: hij rookte Miss Blanche, inhaleerde opzichtig en bleef vaak met zijn vervelende onderlip aan de sigaret kleven, zodat hij stukjes vloei of tabak moeizaam peuterend moest verwijderen. De man was een wrak.
In 1968 kwam ik het gymnasium nog één keer tegen in Nederland. Ik wilde filosofie gaan studeren in Utrecht en kreeg te horen dat dat niet kon met mijn hbs-diploma. Hoewel nog niet op de hoogte met wat ik later zou leren kennen als de singultus vaginalis galoppans wenste ik toen alles wat gymnasiaal was de galopperende kuthik en verdween naar Engeland waar ik uiteindelijk in de filosofiefaculteit belandde. Een van de mooiste dingen die me daar overkwam was het lezen van Plato’s ’The Republic’ in de vorm van een Penguin Classic. De vertaling was van H.D.P. Lee. Wat het gymnasium betreft, ik heb nog nooit één gymnasiast ontmoet die Plato van parkeerruimte kon onderscheiden. In vertaling lezen ze hem niet omdat ze het gym gedaan hebben. Maar op dat gym worstelden ze zich moeizaam door flarden Homerus heen, Xenophon’s gehate Anabasis en van Plato hooguit het Symposion, dat een veel te nauwe ingang is tot zijn filosofie.
De betreurenswaardige weigering van Plato in het Nederlands komt deels voort uit het ontbreken van een vaderlandse traditie op het gebied van de klassieken. In Engeland hebben figuren als Cornford, Murray, Harrison, Jowett, Guthrie, Burnet, Finley, Bowra en vele anderen de Grieken in huis gehaald door ze te vertalen en te becommentariëren met een soepelheid, finesse en toewijding die het lezen nog altijd tot een vreugde maken. In Engeland waren de Grieken een avontuur, in Amersfoort waren ze een monument dat met misplaatste grimmigheid werd bewaakt.
Ik doe hier indrukken, geen sociologie. Ik zou niet weten wat te zeggen over de noodzaak het gymnasium te handhaven. Ik begrijp trouwens dat dat debat helemaal niet gaat over het behoud van Plato, maar over de constatering: hoe groter de school, hoe beroerder het onderwijs.
Ik pleit hier voor het behoud van Plato, die ik even als embleem opvoer. Maar ik betwijfel of het gymnasium daar een rol in speelt. Ter vergelijking is een blik op het Oude Testament illustratief. Wat je ook denkt van de uiteenlopende wijzen waarop met deze teksten werd, en nog altijd wordt, omgegaan, het lijkt mij niet dat dit spektakel anders zou zijn verlopen als er Hebreeuws werd onderwezen op de middelbare school. Multatuli zei het al: je hoeft geen Latijn te kennen om te kunnen zeggen ’God is goed’. Of Hebreeuws om je af te vragen of de aarde in zes dagen is geschapen. Evenmin hoef je Grieks te kennen om deel te kunnen nemen aan Plato’s onvergetelijke expeditie rond Schijn en Wezen.
’Er werd zeer terecht besloten
dat ik geen
priesterroeping had’